16’34”

Galerie Dynamo Expo Enschede NL

2014

solo

Opening door Quinta Bies, beeldend kunstenaar

‘Geacht publiek: welkom. Vandaag, zaterdag 21 juni is het de langste dagvan het jaar. Ze duurt 16 uur en 34 minuten. Nog even volhouden allemaal, we zijn op de helft.

Het leek mij een goed idee een zo’n lang mogelijke speech te houden op deze dag. Nee. Slecht idee zei Judith Hofmann,
onze curator.
Dus ik zal het kort houden maar niet logisch. Hoe lijkt u dat?

Ik citeer ‘In deze expositie brengt Emmy Bergsma met haar tekeningen een ode aan de uitbundige stadsnatuur, die gretig en uitbundig gebruik maakt
van het overvloedige licht dat nu voorhanden is. Emmy Bergsma bekijkt het
stadsonkruid dat zich een weg baant door de nauwe voegen tussen stoeptegels’.

Herinnering 1. Mijn toenmalige verloofde H. had een baan bij de gemeente.

Na afstuderen aan de akademie (onze Aki ) was hij met behoud van uitkering
ongeschikt verklaart voor de arbeidsmarkt. In een lichtgevend pak mocht hij
verplicht voor de gemeente gaan vegen en opruimen. Een nederig klusje maar
niet geheel naar ontevredenheid overigens. In het kader van onkruidbestrijding
moest H. met een fles gif op zijn rug en zo’n slangetje het onkruid besproeien.
Je ziet het soms nog wel eens. H. was echter hyper-allergisch voor van alles
en nog wat en bleek niet tegen het gif te kunnen. Hij vertelde het aan zijn baas
en die stuurde hem naar huis. Er moest een verklaring worden ingeleverd van de
dokter: en inderdaad hij mocht niet met deze chemicaliën werken, dit was inderdaad
slecht voor zijn gezondheid. Maar goed, het werk moest wel gedaan worden.
Vervolgens heeft H. nog dagen, nee, wekenlang het onkruid besproeid met zo’n fles op zijn rug en met zo’n slangetje maar zonder gif.
Hij gaf wekenlang, nauwkeurig en met gepaste toewijding al ons Enschedeese onkruid water. Gewoon water. Wat een heerlijk idee hè? Grappig hè?

– Emmy Bergsma zoomt in op het uitbundige onkruid rondom de stammen van de kastanjebomen in haar straat en merkt op dat ze dan gaan lijken op mini-jungles.
Ze ziet de wonderlijke keuze van een eenzame klimop, die door het plafond van het filmhuis naar binnen groeit. Een plek waar het licht meer uit dan aan is. Deze
observaties zijn in 16’34” de uitgangspunten voor haar tekeningen –

Vraag 1. Waarom ben ik hier? Ik houd niet van onkruid, ik hou van strakke heggen,
kort gras en borders en perken met zo’ n duidelijke opgehoogde rand. Ik ben mij
bewust van mijn truttigheid, ik heb allemaal vrienden met volle uitbundige
woekerende levens en tuinen. Maar ik houdt van inperking afkappen en snoeien.
Helderheid. Duidelijkheid. Overzicht, een heleboel van het zelfde op 1 plek niet
dingen die doormekaar heen gaan groeien. U begrijpt dat ik hier dus heel
zenuwachtig van word.
Het begint al wanneer je er ongezien langs wil lopen langs deze kunstbunker. Het was al een onkruidparadijs maar nu met Emmy
in the house is er nog een schepje bovenop gedaan. Tot op de ramen klimt en
woekert het zich een baantje naar buiten. Brrr. Overal waar ik kijk klimt en draait en leeft het.

Ik citeer ‘Door haar manier van werken komen tevens gedachten over eindigheid,
tijdelijkheid en de daarmee gepaard gaande melancholie aan de oppervlakte’.

Herkenning 1. Aan de binnenkant van mijn been klimmen er kleine adertjes,
ik begrijp niet zo waar het naar toe moet. Maar zij weten het denk ik wel.
Want de plek wordt met de jaren steeds groter. Het komt door ‘het met je benen
over mekaar zitten’. Onder druk zoekt de hoofdader kleine uitvalsweggetjes.
Ik probeer niet meer met mijn benen over mekaar te zitten maar dat is best lastig.
En het is ook oncharmant.

Verklaring 1. Emmy is een geweldige, sterke kunstenaar. Ze gaat zo hup de diepte
in en blijft toch een opgeruimde vrouw.
Of misschien zorgt het één wel voor het ander. Haar werk vernieuwt zich,
ze verrast maar blijft ondertussen duidelijk herkenbaar.
Er is veel zwart. Ik vind het organisch, diepgeworteld, onderzoekend, nooit saai,
ernstig maar niet zwartgallig.
Duuster vind ik een mooi woord. Veel dood maar als je dan weer langer kijkt veel leven.
Het gewoeker hier met die lijnen heeft ook iets bevrijdends. Naast die gitzwarte
volumes die je soms beklemmenderwijs tegemoet kunnen komen, kruipen. Klimmen en groeien de grillige lijnen alle kanten op. Maar ieder lijntje is goed te lezen het
heeft ook iets frivools. Tralalalala. Hupsefluts het mag weer even. Gewoon lekker tekenen, zo’n gevoel krijg ik er ook bij.
Wat niet betekent dat ik enorme zin heb in snoeien, ramen zemen en schilderijen
inpakken.

Advies 1. Inpakken meenemen opruimen. Ik voel dit soort dingen haarscherp aan als
kunstambassadeur.
U gaat zich op het werk storten, u zoemt in en u zoemt weer uit.
U vraagt of u hier kan pinnen, dat kan niet maar overmaken van een afstandje mag ook altijd.
U komt terug en kiest het paneel waar u het langst naar moest kijken.
Het beangstigt u helemaal niet in tegenstelling tot deze spreker,
nee u geniet enorm van al die details en dat gekruip en gewoeker en u gaat
duurzaam investeren en u koopt een Bergsma. Haar prijzen zijn prima, hier
kunnen we niets over zeggen.
En niets tegen inbrengen, dus feliciteer u zelf en woeker voort.
Koop een Bergsma en uw leven zal voorgoed veranderen. Positief natuurlijk.
En als u niet van verandering houdt, koop ook gerust een Bergsma, uw leven
zal precies het zelfde blijven. Maar om u heen woekert het verder. Met Bergsma
voorop. Lieve mensen geniet van de diepgang die hier voor u wordt gepresenteerd, geniet van de aanwezigheid van mensen. Geniet van het transformator-huis, geniet van de natuur,  geniet van de langste dag geniet van uw oneindigheid en geniet van uw eigen gewoeker. Ik verklaar deze expositie als succesvol en geopend ‘

Dialog 1

Kloster Bentlage Rheine D

2015

Emmy Bergsma en Susanne von Bülow 

Opening / Eröffnungstext Jan-Christoph Tonigs, [künstlerische Leiter Kloster Bentlage] 

‘Lieber Bürgermeister Kahle, liebe Gäste, liebe Susanne und liebe Emmy, hartelijk welkom und herzlich Willkommen 

 

Keine Bange, ich werde jetzt nicht endlos über den Dialog monologisieren.
Ich fange mal bei Adam und Eva an.

 

Ab dem Zeitpunkt, an dem die beiden zu zweit sind, ist ein Dialog überhaupt erst möglich. In ihrem All inclusive Naturzoo Paradies kann ich mir ihre Unterhaltungen etwa so vorstellen: “Nee guck mal, da, der Löwe mit dem Lamm, wie niedlich!” – “Oh wie süß, den könnte ich so knuddeln.” – “Mach doch.”

 

Oder beim Verzehr von Tropenfrüchten: “Und, schmeckts?” – “Ja, wie immer.” – Noch’n Banänchen?” – “Ach, je, nee, später vielleicht.”
Dann kam nach der Überlieferung die verbotene Verkostung des Paradiesapfels, etwa so: “Und, schmeckts?” – “Hmm, Verdammt gut!!” – Ab da werden die Gespräche eigentlich erst interessant.
Mit dem Verlust von Unschuld und Paradies gibt es nicht nur Mühsal und Arbeit und Abwechslung im Speiseplan (“Nochn bisschen Lamm?” – Gern, medium.”) sondern auch Streit, Kummer, Versöhnung und Tröstung. Das ganze Drama, das dem Leben und den Dialogen die Würze gibt.

 

Der Dialog in dieser Ausstellung wird allerdings nicht mit Worten geführt. Ich habe Emmy Bergsma und Susanne von Bülow eingeladen, ihre Kunst in einer gemeinsamen Ausstellung miteinander korrespondieren zu lassen. Zwei Beweggründe gab es dafür:
Zum einen finde ich den kulturellen Austausch über die nahe deutsch-niederländische Grenze hinweg immer wieder spannend, anregend, überraschend und notwendig. Das entspannte Miteinander, das ich in Projekten wie GrensWerte und bei der Kooperation mit Einrichtungen wie der AKI in Enschede oder der kunstvereniging Diepenheim oder beim Urlaub auf unserem Lieblingscampingplatz Camping de Roos bei Ommen erlebe, ist noch gar nicht so lange so selbstverständlich wie es jetzt scheint. Vor gut zehn Jahren noch waren die Nachbarn im jeweiligen Ranking nicht annähernd so beliebt wie heute, die (teilweise natürlich berechtigten) Vorurteile sehr massiv und das Unwissen über die Kultur des anderen sehr verbreitet.

 

Nicht dass sich an den letzten beiden Punkten sehr viel geändert hätte, aber die Bereitschaft, den anderen zu akzeptieren und als guten Nachbarn anzuerkennen, hat glaube ich zugenommen. Vielleicht hat das auch mit der individuellen Globalisierung unserer Generation zu tun, bei der die Nationalität in den Hintergrund tritt und wir uns weit mehr als früher als Weltbürger definieren. Die kulturellen Unterschiede flachen in manchen Bereichen ab, gleichzeitig bringen sie eine gewisse Exotik in unseren Alltag, die hier im Grenzgebiet auf kurzen Wegen reizvoll erfahrbar wird. Das gilt für den Besuch im Supermarkt genauso wie für den Kunstgenuss.
Wie wichtig es ist, den kulturellen Dialog zu pflegen, wird in der letzten Zeit mehr als deutlich, denn wie flüchtig und zerbrechlich das friedliche Miteinander ist, zeigt nicht nur die Eskalation von Gewalt nah und fern, sondern auch so unfreundliche Verirrungsbewegungen wie Pegida und Co. Diffuse Angst und Unwissenheit katalysieren den Hass und die Abgrenzung und sitzen viel tiefer in uns allen, als wir wahrhaben wollen. Es ist sicher gut, gegen diese Bewegungen, die ja kein deutsches sondern ebenso ein globalisiertes Phänomen sind, Zeichen zu setzen, aber gegen etwas zu sein, was sich selbst nur im Dagegensein definiert, wird trotz doppelter Verneinung noch nicht zu etwas Positivem.

 

Wofür also wollen wir sein? In jedem Fall für den Dialog, denn der kann immerhin dazu beitragen, ein wenig Wissen auszutauschen und diffuse Ängste in konkrete Ängste zu formulieren und diese dann peut à peut abzubauen.
Nicht weniger bedeutend als friedliebende Völkerverständigung ist der zweite, der künstlerische Beweggrund. Ich mag die Kunst von Susanne von Bülow und Emmy Bergsma. Und habe darin Gemeinsamkeiten gefunden, die ich in der direkten Gegenüberstellung sehr spannend finde. Beide haben einen starken, eigenständigen Ausdruck, eine unverwechselbare Sprache. Manchmal gibt es dabei auch grafische Übereinstimmung, Schnittmengen von Bildern, bei denen auf den ersten Blick nicht klar zu sagen ist, wer sie geschaffen hat. Aber das ist gar nicht der Punkt. Viel wesentlicher ist: Ihre Bilder sprechen uns direkt an und wir können verstehen, fühlen die Melancholie, ihre offene Verletzlichkeit und Stärke, die Ernsthaftigkeit und den Witz. Wir werden mitgenommen ins Innerste der Bilder, der Menschen, die sie bevölkern, ins Dickicht wuchernder Wurzeln, ins Herz der Finsternis und des Lichtes.
Diese weniger im Bild selbst als in ihrer übertragenen Wirkung feinen Schattierungen zwischen hell und dunkel bringen die hohe Komplexität unserer Gefühls- und Gedankenwelten zum Ausdruck. Die Kunstwerke von Emmy und Susanne halten inne und haben zugleich etwas ganz stark Narratives. Sie erzählen vom Sich Suchen, und davon, dass man im Suchen sich selbst findet, die Suche selbst die eigentliche Bestimmung ist. Ohne das freilich zu wissen, denn das Wissen darum würde die Suche beenden und was wir gefunden haben wäre im selben Moment wieder verloren. Wir tragen das Finden im Suchen in uns, unbewusst, und manchmal können wir es spüren und das ist dann tiefes Glück. Ein Glück von der melancholischen Sorte, weil es so flüchtig ist.
Im Paradies würde uns dieses tiefe Glück verwehrt bleiben, für Melancholie ist in paradiesischer Glückseligkeit kein Platz. Womit wir wieder bei Adam und Eva wären. Adam finden wir mehrfach in Emmys Gartenzyklus (dort drüben), ein fleißiger, hart arbeitender Gärtneradam, kein Gast mehr von Gottes Gnaden, sondern einer, der sich irgendwie staunend selbst aus dem Erdreich erschafft. Auch kein einsamer Existentialist, sondern schaffend ein Teil der Schöpfung und im Schaffen eins mit ihr und für den Moment dort auch eins mit sich selbst, staunend, selbstvergessen.

 

Er verwächst mit seiner Umgebung, mit den vitalen Wucherungen, die er hegt und pflegt und die uns in anderen Arbeiten von Emmy Bergsma wiederbegegnen, Geflechte, die mir wie ein Blick in die Wirrnis der Seele vorkommen und die da, wo sie offensichtlich Wurzeln schlagen, einen starken Trost spenden.

 

Susannes Eva finden wir verdreifacht im Raum nebenan, nackt und offen schaut sie uns an, ist nicht beschämt doch auch nicht mehr unschuldig. Man sieht ihr an, dass sie sich ihrer Blöße bewusst ist und durchaus gern etwas Kleidung hätte. Man kann nicht sagen, ob es ihr etwas ausmacht, angesehen zu werden. Sie wendet nicht den Blick ab, um sich selbst ein wenig zu schützen oder um es uns leichter zu machen, sie so einfach anzusehen, und konfrontiert uns damit mit unserem eigenen Verlust der Unschuld. Irgendwann haben schließlich auch wir von diesem verdammt leckeren Apfel gekostet. Und teilen damit das eigentümliche Gefühl zwischen aufkeimender Scham und neugieriger Selbstentdeckung, die Susanne von Bülow in einigen anderen Portraits vorstellt.
Anders als Eva entziehen sich die Menschen auf den meisten von Susannes übrigen Bildern, sind dabei schlafend, erschöpft, von Blaubeergeschossen durchsiebt oder beschäftigt so bei sich, dass man als Betrachter geradezu neidisch werden könnte. Doch das müssen wir nicht, denn im Abwenden nehmen sie uns mit; wir dürfen mit bei Ihnen sein, sie bieten sich an als Projektionsfläche, in der wir uns finden können. Ganz ähnlich finde ich mich in Emmys Bildern, die leicht verschoben, gebrochen reflektieren, weniger Projektionsfläche als ein Seelenspiegel.
Beim Aufbau der Ausstellung gab es natürlich auch einen sehr fruchtbaren “echten Dialog” zwischen den Künstlerinnen, darüber, was wohin soll, welche Bilder sich etwas zu erzählen haben und dabei entstand die Idee von einem Paradies, das Emmy und Susanne im Nebenraum schaffen wollten, eine fruchtbare Landschaft, die die Evas umwuchert. Mit ein bisschen Abstand stelle ich fest, dass sich das Thema auf die ganze Ausstellung überträgt. Wir sind im Paradies, freilich eines, das nicht nur freundlich und schützend wuchernd, sondern auch dornig zornig, teilweise selbst verletzt und geschunden ist, voller Sehnsucht, aber nicht unerreichbar, sondern manchmal überraschend gegenwärtig und beglückend. In guten Momenten flutschen wir unverhofft hinein.

 

Dieser Dialog von Emmy und Susanne ist ein guter Moment, finde ich. Es ist ein kleines Abenteuer und ein großes Glück, diesen Dialog zu inszenieren. Der Filmemacher Francois Truffaut hat einmal gesagt, dass mit der richtigen Besetzung der Rollen ein Regisseur mehr als 90 % seiner Arbeit geleistet hat. Die Rest ist das Moderieren aller Beteiligten, des Spiels und der Dialoge.
Für mich kann ich sagen, dass ich mit der Besetzung sehr zufrieden bin und die gemeinsame, konzentrierte Arbeit sehr anregend war und Spaß gemacht hat.
Ich wünsche mir, dass diese Konzentration und der Spaß sich auch auf Sie alle hier überträgt. Und nur heute haben Sie als Eröffnungsgäste das Privileg, quasi als letztem Akt des Ausstellungsaufbaus Susanne von Bülow beim Ankleiden der Evas zuzusehen. Dafür müssen wir gleich einmal hinüber in den anderen Raum wechseln. Mit dieser kleinen Geste ist die Ausstellung Dialog 1 dann eröffnet. Ich bedanke mich sehr herzlich bei allen, die diese Ausstellung möglich gemacht haben, bei der Stiftung zur Förderung von Kloster Bentlage, beim ganzen tollen Team hier im Kloster und ausdrücklich nochmal bei Susanne von Bülow und Emmy Bergsma, dass sie so engagiert in diesen Dialog eingestiegen sind.
Vielen Dank!’

 

Essay over ADAM, the first Gardener, 120 x 130 cm, houtskool, soft pastel

2015

Sabine Winters, filosoof

‘Iets vinden, terwijl je er niet naar zoekt noemt men serendipiteit.

Een mooi gegeven vind ik, alsof er een lampje aangaat in een kamer waarvan je niet wist dat hij donker was.
Welnu, een tijdje geleden was ik in Amsterdam, en daar vond ik nu precies een
antwoord op vragen waar ik geen antwoord op zocht.
Het is namelijk zo dat ik mij tijdens het wachten op de trein, of het fietsen door
de stad vaak bezig houdt met het bekijken van planten die tussen de stenen van het
perron doorgroeien, of mos, groene algen en klimop dat met woeste overtuiging
tegen onze betonnen wereld opklimt, en in de meest onmogelijke omstandigheden
groen laten zien.
Ik vraag mij dan af (en ik weet inmiddels, vele met mij), hoe de wereld eruit zou zien als de mens zijn ijverige schoonmaakwoede in de orde
van steen, metaal en cement zou laten rusten? Wat zou er gebeuren met het
Centraal Station, het terras, en onze keurige straten wanneer de natuur
zijn gang kan gaan?

Wat gebeurt er met onze hoeken, rechte lijnen, grenzen en afbakeningen?
Tijdens mijn bezoek in Amsterdam vond ik in het werk van Emmy Bergsma,
een antwoord. De kronkelende lijnen, schaduwen, en rondingen laten een wereld zien waar de natuur over zichzelf heen woekert: een gekronkel van donkere lianen en vergeten planten.

In sommige werken was de mens nog goed te herkennen, in andere werken verdween het lijf en gezicht in een onherkenbaar wezen, of bijna in zijn geheel onder een
oerwoud van zwartgevloeid groen.
Ik ontdek een melancholisch verlangen naar die alles verterende romantische orde
van de natuur. Een naïef verlangen naar een vorm van natuurmystiek, waarvan ik
zeker weet dat het alleen kan worden beantwoord door kunst, in de breedste zin van het woord. Een antwoord op de vraag hoe het zou zijn als het individu weer deel uitmaakt van het organische geheel.
(Hegel)’.

LICHTUNG  

Rijksmuseum Twenthe Enschede NL  

2019

Sarah Grothus und Emmy Bergsma  

 

Eröffnungstext Andre Sebastian, Leiter Kulturbüro beim Münsterland e.V. und inhaltlicher Projektleiter im taNDem-Projekt

 

Wer oder was ist taNDem?

taNDem ist ein grenzüberschreitendes Kunst- und Kulturprojekt, das von 2018 bis 2021 läuft.

Die Idee des Projektes ist sehr einfach und der Titel verrät es schon: Jedes Jahr werden ca. 14 Tandems aus einem oder mehreren niederländischen und deutschen Künstler*innen gebildet, um sich künstlerischen mit den jeweiligen Jahresthemen zu beschäftigen.

Es wird in diesem Projekt insgesamt drei Themenjahre geben. Das erste Jahr – zu dem Sarah Grothus und Emmy Bergsma gearbeitet haben – steht unter dem Titel „Heimat – Wo fühle ich mich zuhause?“ Das zweite Themenjahr, bei dem die Antragsfrist Ende März abgelaufen ist, steht unter der Fragestellung „Energie – Was treibt uns an?“ Und im dritten Jahr geht es um das „Paradies – Wo und wie möchten wir leben?“

Die Idee zu diesem Projekt entstand schon vor einigen Jahren. Wir hatten nach einem Nachfolgeprojekt von „grenswerte“ gesucht, das von 2010-2014 erfolgreich gelaufen ist und an dem auch schon Emmy Bergsma, als Programmleiterin mitgewirkt hat.

Wir, das sind die zahlreichen Projektpartner, die bei dem Projekt „taNDem“ dabei sind. Das sind neben der Euregio, die die Leadpartnerschaft übernommen haben, die beiden Provinzen Gelderland und Overijssel, der Landkreis und die Stadt Osnabrück, die Emsländische Landschaft sowie für das Münsterland der Münsterland e.V.

Wir hatten bereits im ersten Jahr, wo wir einen sehr kurzen Vorlauf hatten, um das Projekt zu bewerben, 36 Anträge, von denen wir 15 fördern konnten. Das klingt vielleicht gar nicht so viel, ist aufgrund der geringen Vorlaufzeit durchaus ein Beleg für das Interesse an der deutsch-niederländischen Zusammenarbeit – auch im Kunst- und Kulturbereich.

Auch die sogenannten taNDem-camps, die wir zu Beginn eines jeden Themenjahres als Austausch- und Kennenlernplattform durchführen, waren beide Male mit über 100 Teilnehmer*innen ausgebucht. (Und haben zudem sehr viel Spaß gemacht und das Netzwerk von deutschen und niederländischen Künstler*innen in der EUREGIO sehr gefördert.)

Auf dem ersten taNDemcamp, das wir im April 2018 im Kloster Bentlage veranstaltet haben, haben sich auch Emmy Bergsma und Sarah Grothus kennengelernt bzw. haben sie die Basis für ihr Projekt gefunden. Wie das gelaufen ist und dann weiterging, können sie sicher gleich selber erzählen.

Ich will auch gar nicht weiter auf die Ergebnisse ihrer Zusammenarbeit eingehen, das kann Sabine Winters vermutlich besser als ich. Auch will ich ihrem eigenen Eindruck nichts vorwegnehmen.

Nur zwei kleine, persönliche Gedanken möchte ich Ihnen mitgeben:

Zwei persönliche Eindrücke zu „Lichtung“


Ich habe den ersten Teil der Ausstellung im Januar im Kunstverein Grafschaft Bentheim gesehen. (Und ich habe inzwischen die Ergebnisse einiger Kunst-Tandems gesehen.) Was mich am meisten gefreut hat, war zu sehen, dass sich beide Künstlerinnen in ihren Arbeiten, ihrem Stil, ihrer Richtung, vermutlich auch ihrer Arbeitsweise und Technik treu geblieben sind. Dort hatte jede einen Raum für ihre Arbeiten und es gab zusätzlich eine gemeinsame „Recherchewand“. Auf der einen Hälfte dieser Wand hatte Emmy ihr Recherchematerial präsentiert, auf der anderen Sarah. In der Mitte dieser Wand fiel es mir aber schwer zu unterscheiden, ob das Material zu Emmy oder Sarah gehörte.
Die Grenze verwischte. Das zu erkennen, zu erfahren, war ein sehr schöner Moment. Und ich merkte, dass das Ganze mehr ist als die Summe der einzelnen Teile. Und wenn taNDem das erzeugen kann, haben wir einiges richtig gemacht.

Was mich ebenfalls gefreut hat, war die (geografische) Erweiterung des Heimatbegriffs. Aufgrund ihrer Familienbiografien haben die beiden Künstlerinnen die Idee der Tandembildung von deutschen und niederländischen Künstler*innen nach Indonesien und Polen (Schlesien) erweitert. Durch diese – für die beiden vermutlich naheliegende – Erweiterung hinterfragen sie gleichzeitig den Heimatbegriff. Und auch diese kritische, künstlerische Hinterfragung gesellschaftlicher Themen und Begrifflichkeiten – Heimat, Energie, Paradies – ist etwas, worauf das Projekt taNDem natürlich abzielt. Der andere, der künstlerische Blick auf das, was uns gegenwärtig umgibt und beschäftigt, mit dem wir uns tagtäglich auseinandersetzen, diesen Blick suchen wir.

Und wenn alle Tandems das auf eine so spannende und herausragende Art und Weise wie Sarah Grothus und Emmy Bergsma, hoffe ich, dass taNDem noch lange weitergeht.

Ich wünsche uns allen und natürlich vor allem den beiden Künstlerinnen eine erfolgreiche Ausstellung.

Vielen Dank.

Greven, 10.04.2019

Andre Sebastian

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

H O U T S K O O L, het materiaal de tekening

WG kunst Amsterdam NL

10 januari 2020

Emmy Bergsma, Liesje vd Berk, Fleurien Dingemans, Cathelijn van Goor, Anouk Griffioen, Aal Günther, Ellen de Jong, Nanette Kraaikamp, Monica Rotgans, Lisanne Sloots, Renie Spoelstra, Manja van der Storm, Karin Rianne Westendorp

Openingstekst Arno Kramer

Er is altijd een begin en er is altijd een ontmoeting. Ik dacht er aanvankelijk over om in de inleiding van deze HOUTSKOOL tentoonstelling eens te proberen in het duister van houtskool te duiken, niet letterlijk, maar figuurlijk uiteraard. Misschien moest ik starten met eens voor mijzelf te verklaren waarom ik zo graag houtskool gebruik als tekenmateriaal. Zolang ik me kan herinneren heb ik altijd met houtskool getekend en geschetst. Vroeger waren dat schetsen op linnen, met de bedoeling om de lijnen als leidraad te gebruiken om heuse schilderijen te maken. Later ontdekte ik op papier de kracht van de houtskoollijn, de zachtheid, het sensitieve, en het beeldende effect als je poetste of gumde, dat het werk dan een toon en sfeer meegaf. Vrijwel nooit lukte het om alle sporen van foute houtskoollijnen uit te wissen. Zo probeerde ik die vaag gebleven lijnen deel te laten uitmaken van een te voltooien tekening. Soms liet ik die lijnen staan zoals ze op papier kwamen, soms ging ik er nog eens met aquarel overheen en ook dan verdwenen de lijnen gedeeltelijk. Houtskool bracht me een zachte kracht, poëzie en sensibiliteit. Met houtskool kon ik zowel duidelijk zijn in de meer figuratieve elementen in een werk, als ook mysterieuzer en illusoir in de donkerte.
Kunstenaars zijn knap om ons illusies voor te schotelen, zoals je in deze tentoonstelling kunt zien. Illusies die soms deels geënt zijn op de ons omringende werkelijkheid, maar die ons vaker een volkomen eigen beeldenwereld invoert. Altijd is de tekening een illusie. Dat lukt met beeld, maar met woorden is het scheppen van een illusie ook heel wel mogelijk. Je kunt een gedicht bijvoorbeeld Rokend houtskool noemen. En in het vervolg van de tekst die titel op geen enkele manier ook maar toelichten of verklaren. De Franse dichter René Char (1917-1988) schreef dit:
ROKEND HOUTSKOOL

Toen Nietzsche zich bukte om jou te plukken,
vlijmscherpe bloem van het boogschot,
op de verhevenheid van het eeuwige vertrek,
verbrandde de ster van jodium zijn gezicht
en herkende het onze.
O ploegschaar zonder oren, breker!
Bedek ons met een hoes van schulden,
nadat u ons hebt laten groeien.

Hier wordt dus een beroep gedaan op onze illusie, op onze fantasie en misschien kunnen we enigszins opgaan in de surreële wereld die wordt geschetst. Openingen genoeg, beelden genoeg. Ontmoetingen nabij nam ik aan. Dit hier zijn ontmoetingen op verschillende niveaus en manieren. Wij zien elkaar, spreken elkaar, wij kijken naar tekeningen, vergelijken tekeningen, genieten van tekeningen. Wij zien tekeningen die ons verleiden om te kijken, om er misschien een oordeel over te vormen. Steeds zijn er ontmoetingen, andere ontmoetingen. Ook plastisch is die ontmoeting er geweest, namelijk met het houtskool dat voor het eerst het papier raakte, en de kunstenaar die het houtskool voelde en ermee bewoog. De ontmoeting vindt dus altijd plaats. Bij elke blik, bij elke aanraking. Die blik ontmoet een andere, ontmoet het landschap, een skyline of de wolken. Een hand beweegt en raakt een andere hand, een hand tekent, raakt later misschien een glas, een bloem of een brief. Ergens gaat een pen over het papier, iemand tekent met houtskool, krast, poetst en gumt. Er worden visuele mededelingen gedaan, er is geschreven en de tekst leidt bij lezing eveneens tot een ontmoeting. De tekening vordert, het zwart roept, het wit schreeuwt, er ontstaat een beeld, mysterieus, fragiel, weerbarstig, sensibel, helder. Er komt voortdurend van alles in beweging in onze geest en in ons gevoel. Zo hebben kunstenaars ontmoetingen op allerlei niveaus. De kunstenaars in deze Houtskool tentoonstelling hebben met het door hen gebruikte materiaal, soms honderden ontmoetingen op papier voltooid. Kleine aanrakingen, soms zelfs gewelddadige aanrakingen, of sensitieve aanrakingen, maar altijd bezield en geladen.
Veel meer dan in welke andere kunstdiscipline is in de tekening een ontwikkeling te zien. We kunnen zelfs stap voor stap ervaren en terugzien, hoe een werk tot stand is gekomen. In de tekening is het meestal niet goed mogelijk om iets wat fout is en weg moet, geheel te corrigeren. En als er iets wordt veranderd, dan dragen die correcties dikwijls weer bij tot de compleetheid en de schoonheid van het werk. In de tekening is het nogal eens alles of niets. Het is altijd ‘on the edge’. De tekening balanceert ook voortdurend op de grens van een bekentenis. Meestal is zij een bekentenis. Over het leven en de dood, over de liefde, over de geest, over deze wereld, over weemoed en verlangen. De tekening is in zijn betekenis vooral een bekentenis. We kunnen ons, ondanks de kracht, de ruwheid, de sensibiliteit, de poëzie, de intrinsieke verwarrende kwaliteit die sommige hedendaagse houtskooltekeningen inhoudelijk bezitten, ook over de onmiskenbare schoonheid van het zwart verbazen. Die schoonheid is overigens niet hetzelfde als de tekening zelf. Die schoonheid is geen feit, maar bovenal een ervaring, een beleving.

Menno Wigman ( 1966-2018 )schrijft in zijn gedicht Toen ik begon te schrijven ergens over schoonheid: Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot. En voor Montesquiou is schoonheid – of het nu gaat over de innerlijke schoonheid van de eigen ziel, of over het concept schoonheid en alle uitingen ervan in de buitenwereld – iets om je in terug te trekken. Een levenswijze, waarmee je je afzondert, de wereld op afstand houdt. Het is iets persoonlijks, wat je overigens wel met andere ingewijden kunt delen.
Schoonheid kan er uit bestaan dat soms het onbekende en het ruwe, door de esthetische vorm worden bezworen. En dat is waarom we toch soms ruig, brutaal, zelfs aanvankelijk uitgesproken schokkend en lelijk werk, weer op dat niveau van de schoonheid kunnen ervaren en waarderen.  Elk kunstwerk is naast iets dat schoonheid kan bezitten, dat emoties kan oproepen, en dat soms iets kan vertellen over de wereld of over het individuele gevoel van de maker, ook altijd een tijdelijk statement, vaak al een herinnering.

Deze Houtskool tentoonstelling is een prachtig avontuur. Geen van de hier tentoongestelde kunstenaars lijkt te werken vanuit een bepaald concept. Veel komt intuïtief tot stand, is zoekend, is sensitief, soms raadselachtig, maar uiteindelijk krachtig en oorspronkelijk. Altijd weer gedacht of beter: gevoeld vanuit het materiaal HOUTSKOOL.
Deze tentoonstelling  is geen objectieve stand van zaken van de Nederlandse tekenkunst van nu. Het is een persoonlijke keuze van Lisanne Sloots, die gebaseerd is op het materiaal houtskool en op haar persoonlijke visie en, in de keuze van de kunstenaars, op autonome beeldende kwaliteit. In haar boek verdiept zij zich op bewonderenswaardige wijze in dat materiaal houtskool, deels geschreven vanuit bestudeerde expertise, deels gekoppeld aan haar eigen beleving en jarenlange ervaring. Ik hoop dat veel mensen dit boek zullen kopen. En ook dan en hier: ontmoetingen nabij dus.

Arno Kramer
December 2019

Ask the trees

Galerie Getekend Heerenveen

Solo

2019

Openingsspeech Mieke Conijn, directeur Kunstenlab Deventer

 

We leven in het tijdperk van het Antropoceen: het tijdperk waarin – voor het eerst – het aardse klimaat vooral gevormd wordt door de invloed van de mens.

Die veranderende relatie tussen mens en natuur is ontzettend actueel en urgent. Je hoeft maar welk medium dan ook te openen en we worden geconfronteerd met discussies over stikstof en Pfas, plasticsoep, biodiversiteit, energielandschappen, zeespiegelstijging. Door boeren, bouwers, overheden, wetenschappers, kunstenaars.

 

Veel discussies, essays en cultuurprojecten gaan dan ook over die veranderende relatie tussen mens en natuur in dit licht.

Hierin staan ecomodernisten tegenover ecocentristen. De ecomodernist is ervan overtuigd dat de sociale, economische en technologische mogelijkheden ons zullen helpen het klimaat te stabiliseren en de natuur te herstellen.

De ecocentrist stelt dat onze enige kans van slagen erin ligt als we niet de mens, maar de natuur en het ecosysteem weer centraal gaan stellen.

 

Door deze actualiteit zijn we bijna geneigd om alles waarin natuur een rol speelt, in het licht van deze twee uitersten te bekijken en beoordelen.

Emmy’s werk staat ontegenzeggelijk dichter bij de ecocentrische visie dan bij die van de ecomodernisten. Maar als we iets langer kijken, onttrekt haar kunst zich aan welke discussie dan ook.

 

 

 

Levenscyclus, romantische orde, overwoekering, melancholie, oneindigheid, vervlechting, natuurmystiek, spiegel van het bestaan

 

Dit zijn allemaal woorden uit teksten over het werk van Emmy Bergsma.

Grote woorden voor grote, en soms ook hele kleine tekeningen.

 

Wat mij vooral opvalt in het werk van Emmy Bergsma is het gevoel die ze oproepen dat je door of in haar tekeningen een hele nieuwe wereld betreedt. Een wereld met een duidelijke link naar de wereld die we kennen. Die herkenbaarheid zorgt voor een zekere mate van comfort, want als mens zijn we altijd op zoek naar houvast en vinden dat in herkenning. Aan de andere kant is het bijna alsof je naar een scene uit een game of science-fiction-film kijkt: elke tekening biedt een blik op een wereld die nog onontdekt is, en volledig eigen. Met eigen wetten, eigen dimensies en een eigen bevolking, waarvan je soms een glimp opvangt. De onder- en bovengrondse natuur is moeiteloos met elkaar verbonden. Ook dat appelleert aan een aspect van onze menszijn: de ontdekker.

 

De tekeningen zijn vaak donker, soms mysterieus en voor sommige mensen lijken ze zelfs verontrustend. Maar als je goed kijkt, is haar zwart niet zozeer duister, het is vooral rijk en vol beloften.

 

Voor Emmy is de natuur altijd een vanzelfsprekend onderdeel van haar leven geweest. Al van jongs af aan namen haar ouders haar mee de natuur in, en creëerden – nadat ze Indonesië verlieten – zelf plekken om hun eigen natuur te beleven. En ze vertelde me dat ze in haar jeugd een eigen tak had, waarop ze ging zitten als ze zich wilde terugtrekken om na te denken. Je kunt je bijna voorstellen dat je met haar mee, door de bladeren van die tak naar de wereld kijkt.

Haar relatie met de natuur is in de loop van de tijd veranderd: in veel teksten wordt ze beschreven als observant. En de vroegere natuurbeelden ontstonden in haar gedachten. De laatste tijd tekent ze steeds meer in de natuur zelf. Daardoor wordt het contact veel intensiever en – wat heel mooi is – ze beschrijft het zelf alsof door het tekenen de natuur bijna familie wordt. Van observant naar deelnemer.

Dat is precies wat haar tekeningen ook beogen.

 

Haar tekeningen hebben de kwaliteit de kijker naar zich toe te zuigen, ze wekken een verlangen in de kijker om er in rond te dwalen. Die indruk wordt versterkt doordat de landschappen/beelden die Emmy schept, niet hele beeldvlak vullen. Daarmee lijken het flarden van werelden, die zich pas in volle omvang aan je onthullen als je er zelf instapt. Maar waarbij zeker ook het risico bestaat dat de beelden uiteenvallen als je dichterbij komt. Het gevoel wat je ook kunt hebben als je wakker wordt en je nog wat echo’s van een droom kunt herinneren, maar als je probeert die vast te pakken en concreet te maken, ze als zand tussen je vingers door wegglippen.

 

Ik wil iedere kijker dan ook vragen om van observant, deelnemer te worden. En je – net als ik dat doe – over te geven aan Emmy’s werelden en ze te betreden: in de volle wetenschap dat dat wat je in haar natuur zal aantreffen vooral nieuwe vragen oproept. En waarin het volkomen vanzelfsprekend is om het de bomen zelf te vragen.

 

Mieke Conijn

8 november 2019

 

 

 16’34”

solo

Galerie Dynamo Expo Enschede NL

2014

Openingstekst Quinta Bies, beeldend kunstenaar

‘Geacht publiek: welkom. Vandaag, zaterdag 21 juni is het de langste dagvan het jaar. Ze duurt 16 uur en 34 minuten. Nog even volhouden allemaal, we zijn op de helft.

Het leek mij een goed idee een zo’n lang mogelijke speech te houden op deze dag. Nee. Slecht idee zei Judith Hofmann,
onze curator.
Dus ik zal het kort houden maar niet logisch. Hoe lijkt u dat?

Ik citeer ‘In deze expositie brengt Emmy Bergsma met haar tekeningen een ode aan de uitbundige stadsnatuur, die gretig en uitbundig gebruik maakt
van het overvloedige licht dat nu voorhanden is. Emmy Bergsma bekijkt het
stadsonkruid dat zich een weg baant door de nauwe voegen tussen stoeptegels’.

Herinnering 1. Mijn toenmalige verloofde H. had een baan bij de gemeente.

Na afstuderen aan de akademie (onze Aki ) was hij met behoud van uitkering
ongeschikt verklaart voor de arbeidsmarkt. In een lichtgevend pak mocht hij
verplicht voor de gemeente gaan vegen en opruimen. Een nederig klusje maar
niet geheel naar ontevredenheid overigens. In het kader van onkruidbestrijding
moest H. met een fles gif op zijn rug en zo’n slangetje het onkruid besproeien.
Je ziet het soms nog wel eens. H. was echter hyper-allergisch voor van alles
en nog wat en bleek niet tegen het gif te kunnen. Hij vertelde het aan zijn baas
en die stuurde hem naar huis. Er moest een verklaring worden ingeleverd van de
dokter: en inderdaad hij mocht niet met deze chemicaliën werken, dit was inderdaad
slecht voor zijn gezondheid. Maar goed, het werk moest wel gedaan worden.
Vervolgens heeft H. nog dagen, nee, wekenlang het onkruid besproeid met zo’n fles op zijn rug en met zo’n slangetje maar zonder gif.
Hij gaf wekenlang, nauwkeurig en met gepaste toewijding al ons Enschedeese onkruid water. Gewoon water. Wat een heerlijk idee hè? Grappig hè?

– Emmy Bergsma zoomt in op het uitbundige onkruid rondom de stammen van de kastanjebomen in haar straat en merkt op dat ze dan gaan lijken op mini-jungles.
Ze ziet de wonderlijke keuze van een eenzame klimop, die door het plafond van het filmhuis naar binnen groeit. Een plek waar het licht meer uit dan aan is. Deze
observaties zijn in 16’34” de uitgangspunten voor haar tekeningen –

Vraag 1. Waarom ben ik hier? Ik houd niet van onkruid, ik hou van strakke heggen,
kort gras en borders en perken met zo’ n duidelijke opgehoogde rand. Ik ben mij
bewust van mijn truttigheid, ik heb allemaal vrienden met volle uitbundige
woekerende levens en tuinen. Maar ik houdt van inperking afkappen en snoeien.
Helderheid. Duidelijkheid. Overzicht, een heleboel van het zelfde op 1 plek niet
dingen die doormekaar heen gaan groeien. U begrijpt dat ik hier dus heel
zenuwachtig van word.
Het begint al wanneer je er ongezien langs wil lopen langs deze kunstbunker. Het was al een onkruidparadijs maar nu met Emmy
in the house is er nog een schepje bovenop gedaan. Tot op de ramen klimt en
woekert het zich een baantje naar buiten. Brrr. Overal waar ik kijk klimt en draait en leeft het.

Ik citeer ‘Door haar manier van werken komen tevens gedachten over eindigheid,
tijdelijkheid en de daarmee gepaard gaande melancholie aan de oppervlakte’.

Herkenning 1. Aan de binnenkant van mijn been klimmen er kleine adertjes,
ik begrijp niet zo waar het naar toe moet. Maar zij weten het denk ik wel.
Want de plek wordt met de jaren steeds groter. Het komt door ‘het met je benen
over mekaar zitten’. Onder druk zoekt de hoofdader kleine uitvalsweggetjes.
Ik probeer niet meer met mijn benen over mekaar te zitten maar dat is best lastig.
En het is ook oncharmant.

Verklaring 1. Emmy is een geweldige, sterke kunstenaar. Ze gaat zo hup de diepte
in en blijft toch een opgeruimde vrouw.
Of misschien zorgt het één wel voor het ander. Haar werk vernieuwt zich,
ze verrast maar blijft ondertussen duidelijk herkenbaar.
Er is veel zwart. Ik vind het organisch, diepgeworteld, onderzoekend, nooit saai,
ernstig maar niet zwartgallig.
Duuster vind ik een mooi woord. Veel dood maar als je dan weer langer kijkt veel leven.
Het gewoeker hier met die lijnen heeft ook iets bevrijdends. Naast die gitzwarte
volumes die je soms beklemmenderwijs tegemoet kunnen komen, kruipen. Klimmen en groeien de grillige lijnen alle kanten op. Maar ieder lijntje is goed te lezen het
heeft ook iets frivools. Tralalalala. Hupsefluts het mag weer even. Gewoon lekker tekenen, zo’n gevoel krijg ik er ook bij.
Wat niet betekent dat ik enorme zin heb in snoeien, ramen zemen en schilderijen
inpakken.

Advies 1. Inpakken meenemen opruimen. Ik voel dit soort dingen haarscherp aan als
kunstambassadeur.
U gaat zich op het werk storten, u zoemt in en u zoemt weer uit.
U vraagt of u hier kan pinnen, dat kan niet maar overmaken van een afstandje mag ook altijd.
U komt terug en kiest het paneel waar u het langst naar moest kijken.
Het beangstigt u helemaal niet in tegenstelling tot deze spreker,
nee u geniet enorm van al die details en dat gekruip en gewoeker en u gaat
duurzaam investeren en u koopt een Bergsma. Haar prijzen zijn prima, hier
kunnen we niets over zeggen.
En niets tegen inbrengen, dus feliciteer u zelf en woeker voort.
Koop een Bergsma en uw leven zal voorgoed veranderen. Positief natuurlijk.
En als u niet van verandering houdt, koop ook gerust een Bergsma, uw leven
zal precies het zelfde blijven. Maar om u heen woekert het verder. Met Bergsma
voorop. Lieve mensen geniet van de diepgang die hier voor u wordt gepresenteerd, geniet van de aanwezigheid van mensen. Geniet van het transformator-huis, geniet van de natuur,  geniet van de langste dag geniet van uw oneindigheid en geniet van uw eigen gewoeker. Ik verklaar deze expositie als succesvol en geopend ‘

Dialog 1

met Susanne von Bülow 

Kloster Bentlage Rheine D

2015

Opening / Eröffnungstext Jan-Christoph Tonigs, [künstlerische Leiter Kloster Bentlage]

‘Lieber Bürgermeister Kahle, liebe Gäste, liebe Susanne und liebe Emmy, hartelijk welkom und herzlich Willkommen 

Keine Bange, ich werde jetzt nicht endlos über den Dialog monologisieren.
Ich fange mal bei Adam und Eva an.

Ab dem Zeitpunkt, an dem die beiden zu zweit sind, ist ein Dialog überhaupt erst möglich. In ihrem All inclusive Naturzoo Paradies kann ich mir ihre Unterhaltungen etwa so vorstellen: “Nee guck mal, da, der Löwe mit dem Lamm, wie niedlich!” – “Oh wie süß, den könnte ich so knuddeln.” – “Mach doch.”

Oder beim Verzehr von Tropenfrüchten: “Und, schmeckts?” – “Ja, wie immer.” – Noch’n Banänchen?” – “Ach, je, nee, später vielleicht.”
Dann kam nach der Überlieferung die verbotene Verkostung des Paradiesapfels, etwa so: “Und, schmeckts?” – “Hmm, Verdammt gut!!” – Ab da werden die Gespräche eigentlich erst interessant.
Mit dem Verlust von Unschuld und Paradies gibt es nicht nur Mühsal und Arbeit und Abwechslung im Speiseplan (“Nochn bisschen Lamm?” – Gern, medium.”) sondern auch Streit, Kummer, Versöhnung und Tröstung. Das ganze Drama, das dem Leben und den Dialogen die Würze gibt.

Der Dialog in dieser Ausstellung wird allerdings nicht mit Worten geführt. Ich habe Emmy Bergsma und Susanne von Bülow eingeladen, ihre Kunst in einer gemeinsamen Ausstellung miteinander korrespondieren zu lassen. Zwei Beweggründe gab es dafür:
Zum einen finde ich den kulturellen Austausch über die nahe deutsch-niederländische Grenze hinweg immer wieder spannend, anregend, überraschend und notwendig. Das entspannte Miteinander, das ich in Projekten wie GrensWerte und bei der Kooperation mit Einrichtungen wie der AKI in Enschede oder der kunstvereniging Diepenheim oder beim Urlaub auf unserem Lieblingscampingplatz Camping de Roos bei Ommen erlebe, ist noch gar nicht so lange so selbstverständlich wie es jetzt scheint. Vor gut zehn Jahren noch waren die Nachbarn im jeweiligen Ranking nicht annähernd so beliebt wie heute, die (teilweise natürlich berechtigten) Vorurteile sehr massiv und das Unwissen über die Kultur des anderen sehr verbreitet.

Nicht dass sich an den letzten beiden Punkten sehr viel geändert hätte, aber die Bereitschaft, den anderen zu akzeptieren und als guten Nachbarn anzuerkennen, hat glaube ich zugenommen. Vielleicht hat das auch mit der individuellen Globalisierung unserer Generation zu tun, bei der die Nationalität in den Hintergrund tritt und wir uns weit mehr als früher als Weltbürger definieren. Die kulturellen Unterschiede flachen in manchen Bereichen ab, gleichzeitig bringen sie eine gewisse Exotik in unseren Alltag, die hier im Grenzgebiet auf kurzen Wegen reizvoll erfahrbar wird. Das gilt für den Besuch im Supermarkt genauso wie für den Kunstgenuss.
Wie wichtig es ist, den kulturellen Dialog zu pflegen, wird in der letzten Zeit mehr als deutlich, denn wie flüchtig und zerbrechlich das friedliche Miteinander ist, zeigt nicht nur die Eskalation von Gewalt nah und fern, sondern auch so unfreundliche Verirrungsbewegungen wie Pegida und Co. Diffuse Angst und Unwissenheit katalysieren den Hass und die Abgrenzung und sitzen viel tiefer in uns allen, als wir wahrhaben wollen. Es ist sicher gut, gegen diese Bewegungen, die ja kein deutsches sondern ebenso ein globalisiertes Phänomen sind, Zeichen zu setzen, aber gegen etwas zu sein, was sich selbst nur im Dagegensein definiert, wird trotz doppelter Verneinung noch nicht zu etwas Positivem.

Wofür also wollen wir sein? In jedem Fall für den Dialog, denn der kann immerhin dazu beitragen, ein wenig Wissen auszutauschen und diffuse Ängste in konkrete Ängste zu formulieren und diese dann peut à peut abzubauen.
Nicht weniger bedeutend als friedliebende Völkerverständigung ist der zweite, der künstlerische Beweggrund. Ich mag die Kunst von Susanne von Bülow und Emmy Bergsma. Und habe darin Gemeinsamkeiten gefunden, die ich in der direkten Gegenüberstellung sehr spannend finde. Beide haben einen starken, eigenständigen Ausdruck, eine unverwechselbare Sprache. Manchmal gibt es dabei auch grafische Übereinstimmung, Schnittmengen von Bildern, bei denen auf den ersten Blick nicht klar zu sagen ist, wer sie geschaffen hat. Aber das ist gar nicht der Punkt. Viel wesentlicher ist: Ihre Bilder sprechen uns direkt an und wir können verstehen, fühlen die Melancholie, ihre offene Verletzlichkeit und Stärke, die Ernsthaftigkeit und den Witz. Wir werden mitgenommen ins Innerste der Bilder, der Menschen, die sie bevölkern, ins Dickicht wuchernder Wurzeln, ins Herz der Finsternis und des Lichtes.
Diese weniger im Bild selbst als in ihrer übertragenen Wirkung feinen Schattierungen zwischen hell und dunkel bringen die hohe Komplexität unserer Gefühls- und Gedankenwelten zum Ausdruck. Die Kunstwerke von Emmy und Susanne halten inne und haben zugleich etwas ganz stark Narratives. Sie erzählen vom Sich Suchen, und davon, dass man im Suchen sich selbst findet, die Suche selbst die eigentliche Bestimmung ist. Ohne das freilich zu wissen, denn das Wissen darum würde die Suche beenden und was wir gefunden haben wäre im selben Moment wieder verloren. Wir tragen das Finden im Suchen in uns, unbewusst, und manchmal können wir es spüren und das ist dann tiefes Glück. Ein Glück von der melancholischen Sorte, weil es so flüchtig ist.
Im Paradies würde uns dieses tiefe Glück verwehrt bleiben, für Melancholie ist in paradiesischer Glückseligkeit kein Platz. Womit wir wieder bei Adam und Eva wären. Adam finden wir mehrfach in Emmys Gartenzyklus (dort drüben), ein fleißiger, hart arbeitender Gärtneradam, kein Gast mehr von Gottes Gnaden, sondern einer, der sich irgendwie staunend selbst aus dem Erdreich erschafft. Auch kein einsamer Existentialist, sondern schaffend ein Teil der Schöpfung und im Schaffen eins mit ihr und für den Moment dort auch eins mit sich selbst, staunend, selbstvergessen.

Er verwächst mit seiner Umgebung, mit den vitalen Wucherungen, die er hegt und pflegt und die uns in anderen Arbeiten von Emmy Bergsma wiederbegegnen, Geflechte, die mir wie ein Blick in die Wirrnis der Seele vorkommen und die da, wo sie offensichtlich Wurzeln schlagen, einen starken Trost spenden.

Susannes Eva finden wir verdreifacht im Raum nebenan, nackt und offen schaut sie uns an, ist nicht beschämt doch auch nicht mehr unschuldig. Man sieht ihr an, dass sie sich ihrer Blöße bewusst ist und durchaus gern etwas Kleidung hätte. Man kann nicht sagen, ob es ihr etwas ausmacht, angesehen zu werden. Sie wendet nicht den Blick ab, um sich selbst ein wenig zu schützen oder um es uns leichter zu machen, sie so einfach anzusehen, und konfrontiert uns damit mit unserem eigenen Verlust der Unschuld. Irgendwann haben schließlich auch wir von diesem verdammt leckeren Apfel gekostet. Und teilen damit das eigentümliche Gefühl zwischen aufkeimender Scham und neugieriger Selbstentdeckung, die Susanne von Bülow in einigen anderen Portraits vorstellt.
Anders als Eva entziehen sich die Menschen auf den meisten von Susannes übrigen Bildern, sind dabei schlafend, erschöpft, von Blaubeergeschossen durchsiebt oder beschäftigt so bei sich, dass man als Betrachter geradezu neidisch werden könnte. Doch das müssen wir nicht, denn im Abwenden nehmen sie uns mit; wir dürfen mit bei Ihnen sein, sie bieten sich an als Projektionsfläche, in der wir uns finden können. Ganz ähnlich finde ich mich in Emmys Bildern, die leicht verschoben, gebrochen reflektieren, weniger Projektionsfläche als ein Seelenspiegel.
Beim Aufbau der Ausstellung gab es natürlich auch einen sehr fruchtbaren “echten Dialog” zwischen den Künstlerinnen, darüber, was wohin soll, welche Bilder sich etwas zu erzählen haben und dabei entstand die Idee von einem Paradies, das Emmy und Susanne im Nebenraum schaffen wollten, eine fruchtbare Landschaft, die die Evas umwuchert. Mit ein bisschen Abstand stelle ich fest, dass sich das Thema auf die ganze Ausstellung überträgt. Wir sind im Paradies, freilich eines, das nicht nur freundlich und schützend wuchernd, sondern auch dornig zornig, teilweise selbst verletzt und geschunden ist, voller Sehnsucht, aber nicht unerreichbar, sondern manchmal überraschend gegenwärtig und beglückend. In guten Momenten flutschen wir unverhofft hinein.

Dieser Dialog von Emmy und Susanne ist ein guter Moment, finde ich. Es ist ein kleines Abenteuer und ein großes Glück, diesen Dialog zu inszenieren. Der Filmemacher Francois Truffaut hat einmal gesagt, dass mit der richtigen Besetzung der Rollen ein Regisseur mehr als 90 % seiner Arbeit geleistet hat. Die Rest ist das Moderieren aller Beteiligten, des Spiels und der Dialoge.
Für mich kann ich sagen, dass ich mit der Besetzung sehr zufrieden bin und die gemeinsame, konzentrierte Arbeit sehr anregend war und Spaß gemacht hat.
Ich wünsche mir, dass diese Konzentration und der Spaß sich auch auf Sie alle hier überträgt. Und nur heute haben Sie als Eröffnungsgäste das Privileg, quasi als letztem Akt des Ausstellungsaufbaus Susanne von Bülow beim Ankleiden der Evas zuzusehen. Dafür müssen wir gleich einmal hinüber in den anderen Raum wechseln. Mit dieser kleinen Geste ist die Ausstellung Dialog 1 dann eröffnet. Ich bedanke mich sehr herzlich bei allen, die diese Ausstellung möglich gemacht haben, bei der Stiftung zur Förderung von Kloster Bentlage, beim ganzen tollen Team hier im Kloster und ausdrücklich nochmal bei Susanne von Bülow und Emmy Bergsma, dass sie so engagiert in diesen Dialog eingestiegen sind.
Vielen Dank!’

Sabine Winters, filosoof  

over Adam the first Gardener, 120 x 130 cm, houtskool, soft pastel,

2015

‘Iets vinden, terwijl je er niet naar zoekt noemt men serendipiteit.

Een mooi gegeven vind ik, alsof er een lampje aangaat in een kamer waarvan je niet wist dat hij donker was.
Welnu, een tijdje geleden was ik in Amsterdam, en daar vond ik nu precies een
antwoord op vragen waar ik geen antwoord op zocht.
Het is namelijk zo dat ik mij tijdens het wachten op de trein, of het fietsen door
de stad vaak bezig houdt met het bekijken van planten die tussen de stenen van het
perron doorgroeien, of mos, groene algen en klimop dat met woeste overtuiging
tegen onze betonnen wereld opklimt, en in de meest onmogelijke omstandigheden
groen laten zien.
Ik vraag mij dan af (en ik weet inmiddels, vele met mij), hoe de wereld eruit zou zien als de mens zijn ijverige schoonmaakwoede in de orde
van steen, metaal en cement zou laten rusten? Wat zou er gebeuren met het
Centraal Station, het terras, en onze keurige straten wanneer de natuur
zijn gang kan gaan?

Wat gebeurt er met onze hoeken, rechte lijnen, grenzen en afbakeningen?
Tijdens mijn bezoek in Amsterdam vond ik in het werk van Emmy Bergsma,
een antwoord. De kronkelende lijnen, schaduwen, en rondingen laten een wereld zien waar de natuur over zichzelf heen woekert: een gekronkel van donkere lianen en vergeten planten.

In sommige werken was de mens nog goed te herkennen, in andere werken verdween het lijf en gezicht in een onherkenbaar wezen, of bijna in zijn geheel onder een
oerwoud van zwartgevloeid groen.
Ik ontdek een melancholisch verlangen naar die alles verterende romantische orde
van de natuur. Een naïef verlangen naar een vorm van natuurmystiek, waarvan ik
zeker weet dat het alleen kan worden beantwoord door kunst, in de breedste zin van het woord. Een antwoord op de vraag hoe het zou zijn als het individu weer deel uitmaakt van het organische geheel.
(Hegel)’.

LICHTUNG  

 

 

 

 

 

 

 

met Sarah Grothus

 

 

 

 

 

 

 

Rijksmuseum Twenthe Enschede

 

 

 

 

 

 

 

2019

 

 

 

Eröffnungstext Andre Sebastian, Leiter Kulturbüro beim Münsterland e.V. und inhaltlicher Projektleiter im taNDem-Projekt

 

 

 

Wer oder was ist taNDem?

 

 

 

taNDem ist ein grenzüberschreitendes Kunst- und Kulturprojekt, das von 2018 bis 2021 läuft.

 

 

 

Die Idee des Projektes ist sehr einfach und der Titel verrät es schon: Jedes Jahr werden ca. 14 Tandems aus einem oder mehreren niederländischen und deutschen Künstler*innen gebildet, um sich künstlerischen mit den jeweiligen Jahresthemen zu beschäftigen. Es wird in diesem Projekt insgesamt drei Themenjahre geben. Das erste Jahr – zu dem Sarah Grothus und Emmy Bergsma gearbeitet haben – steht unter dem Titel „Heimat – Wo fühle ich mich zuhause?“ Das zweite Themenjahr, bei dem die Antragsfrist Ende März abgelaufen ist, steht unter der Fragestellung „Energie – Was treibt uns an?“ Und im dritten Jahr geht es um das „Paradies – Wo und wie möchten wir leben?“ Die Idee zu diesem Projekt entstand schon vor einigen Jahren. Wir hatten nach einem Nachfolgeprojekt von „GrensWerte“ gesucht, das von 2010-2014 erfolgreich gelaufen ist und an dem auch schon Emmy Bergsma mitgewirkt hat.

 

 

 

Wir, das sind die zahlreichen Projektpartner, die bei dem Projekt „taNDem“ dabei sind. Das sind neben der Euregio, die die Leadpartnerschaft übernommen haben, die beiden Provinzen Gelderland und Overijssel, der Landkreis und die Stadt Osnabrück, die Emsländische Landschaft sowie für das Münsterland der Münsterland e.V.

 

 

 

Wir hatten bereits im ersten Jahr, wo wir einen sehr kurzen Vorlauf hatten, um das Projekt zu bewerben, 36 Anträge, von denen wir 15 fördern konnten. Das klingt vielleicht gar nicht so viel, ist aufgrund der geringen Vorlaufzeit durchaus ein Beleg für das Interesse an der deutsch-niederländischen Zusammenarbeit – auch im Kunst- und Kulturbereich.

 

 

 

Auch die sogenannten taNDem-camps, die wir zu Beginn eines jeden Themenjahres als Austausch- und Kennenlernplattform durchführen, waren beide Male mit über 100 Teilnehmer*innen ausgebucht. (Und haben zudem sehr viel Spaß gemacht und das Netzwerk von deutschen und niederländischen Künstler*innen in der EUREGIO sehr gefördert.)

 

 

 

Auf dem ersten taNDemcamp, das wir im April 2018 im Kloster Bentlage veranstaltet haben, haben sich auch Emmy Bergsma und Sarah Grothus kennengelernt bzw. haben sie die Basis für ihr Projekt gefunden. Wie das gelaufen ist und dann weiterging, können sie sicher gleich selber erzählen.

 

 

 

Ich will auch gar nicht weiter auf die Ergebnisse ihrer Zusammenarbeit eingehen, das kann Sabine Winters vermutlich besser als ich. Auch will ich ihrem eigenen Eindruck nichts vorwegnehmen.

 

 

 

Nur zwei kleine, persönliche Gedanken möchte ich Ihnen mitgeben:

 

 

 

Zwei persönliche Eindrücke zu „Lichtung“

 

 

 


Ich habe den ersten Teil der Ausstellung im Januar im Kunstverein Grafschaft Bentheim gesehen. (Und ich habe inzwischen die Ergebnisse einiger Kunst-Tandems gesehen.) Was mich am meisten gefreut hat, war zu sehen, dass sich beide Künstlerinnen in ihren Arbeiten, ihrem Stil, ihrer Richtung, vermutlich auch ihrer Arbeitsweise und Technik treu geblieben sind. Dort hatte jede einen Raum für ihre Arbeiten und es gab zusätzlich eine gemeinsame „Recherchewand“. Auf der einen Hälfte dieser Wand hatte Emmy ihr Recherchematerial präsentiert, auf der anderen Sarah. In der Mitte dieser Wand fiel es mir aber schwer zu unterscheiden, ob das Material zu Emmy oder Sarah gehörte.
Die Grenze verwischte. Das zu erkennen, zu erfahren, war ein sehr schöner Moment. Und ich merkte, dass das Ganze mehr ist als die Summe der einzelnen Teile. Und wenn taNDem das erzeugen kann, haben wir einiges richtig gemacht.

 

Was mich ebenfalls gefreut hat, war die (geografische) Erweiterung des Heimatbegriffs. Aufgrund ihrer Familienbiografien haben die beiden Künstlerinnen die Idee der Tandembildung von deutschen und niederländischen Künstler*innen nach Indonesien und Polen (Schlesien) erweitert. Durch diese – für die beiden vermutlich naheliegende – Erweiterung hinterfragen sie gleichzeitig den Heimatbegriff. Und auch diese kritische, künstlerische Hinterfragung gesellschaftlicher Themen und Begrifflichkeiten – Heimat, Energie, Paradies – ist etwas, worauf das Projekt taNDem natürlich abzielt. Der andere, der künstlerische Blick auf das, was uns gegenwärtig umgibt und beschäftigt, mit dem wir uns tagtäglich auseinandersetzen, diesen Blick suchen wir.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Und wenn alle Tandems das auf eine so spannende und herausragende Art und Weise wie Sarah Grothus und Emmy Bergsma, hoffe ich, dass taNDem noch lange weitergeht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ich wünsche uns allen und natürlich vor allem den beiden Künstlerinnen eine erfolgreiche Ausstellung.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vielen Dank.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Greven, 10.04.2019

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

H O U T S K O O L, het materiaal de tekening WG kunst Amsterdam 10 januari 2020

Openingstekst Arno Kramer

Er is altijd een begin en er is altijd een ontmoeting. Ik dacht er aanvankelijk over om in de inleiding van deze HOUTSKOOL tentoonstelling eens te proberen in het duister van houtskool te duiken, niet letterlijk, maar figuurlijk uiteraard. Misschien moest ik starten met eens voor mijzelf te verklaren waarom ik zo graag houtskool gebruik als tekenmateriaal. Zolang ik me kan herinneren heb ik altijd met houtskool getekend en geschetst. Vroeger waren dat schetsen op linnen, met de bedoeling om de lijnen als leidraad te gebruiken om heuse schilderijen te maken. Later ontdekte ik op papier de kracht van de houtskoollijn, de zachtheid, het sensitieve, en het beeldende effect als je poetste of gumde, dat het werk dan een toon en sfeer meegaf. Vrijwel nooit lukte het om alle sporen van foute houtskoollijnen uit te wissen. Zo probeerde ik die vaag gebleven lijnen deel te laten uitmaken van een te voltooien tekening. Soms liet ik die lijnen staan zoals ze op papier kwamen, soms ging ik er nog eens met aquarel overheen en ook dan verdwenen de lijnen gedeeltelijk. Houtskool bracht me een zachte kracht, poëzie en sensibiliteit. Met houtskool kon ik zowel duidelijk zijn in de meer figuratieve elementen in een werk, als ook mysterieuzer en illusoir in de donkerte.
Kunstenaars zijn knap om ons illusies voor te schotelen, zoals je in deze tentoonstelling kunt zien. Illusies die soms deels geënt zijn op de ons omringende werkelijkheid, maar die ons vaker een volkomen eigen beeldenwereld invoert. Altijd is de tekening een illusie. Dat lukt met beeld, maar met woorden is het scheppen van een illusie ook heel wel mogelijk. Je kunt een gedicht bijvoorbeeld Rokend houtskool noemen. En in het vervolg van de tekst die titel op geen enkele manier ook maar toelichten of verklaren. De Franse dichter René Char (1917-1988) schreef dit:
ROKEND HOUTSKOOL

Toen Nietzsche zich bukte om jou te plukken,
vlijmscherpe bloem van het boogschot,
op de verhevenheid van het eeuwige vertrek,
verbrandde de ster van jodium zijn gezicht
en herkende het onze.
O ploegschaar zonder oren, breker!
Bedek ons met een hoes van schulden,
nadat u ons hebt laten groeien.

Hier wordt dus een beroep gedaan op onze illusie, op onze fantasie en misschien kunnen we enigszins opgaan in de surreële wereld die wordt geschetst. Openingen genoeg, beelden genoeg. Ontmoetingen nabij nam ik aan. Dit hier zijn ontmoetingen op verschillende niveaus en manieren. Wij zien elkaar, spreken elkaar, wij kijken naar tekeningen, vergelijken tekeningen, genieten van tekeningen. Wij zien tekeningen die ons verleiden om te kijken, om er misschien een oordeel over te vormen. Steeds zijn er ontmoetingen, andere ontmoetingen. Ook plastisch is die ontmoeting er geweest, namelijk met het houtskool dat voor het eerst het papier raakte, en de kunstenaar die het houtskool voelde en ermee bewoog. De ontmoeting vindt dus altijd plaats. Bij elke blik, bij elke aanraking. Die blik ontmoet een andere, ontmoet het landschap, een skyline of de wolken. Een hand beweegt en raakt een andere hand, een hand tekent, raakt later misschien een glas, een bloem of een brief. Ergens gaat een pen over het papier, iemand tekent met houtskool, krast, poetst en gumt. Er worden visuele mededelingen gedaan, er is geschreven en de tekst leidt bij lezing eveneens tot een ontmoeting. De tekening vordert, het zwart roept, het wit schreeuwt, er ontstaat een beeld, mysterieus, fragiel, weerbarstig, sensibel, helder. Er komt voortdurend van alles in beweging in onze geest en in ons gevoel. Zo hebben kunstenaars ontmoetingen op allerlei niveaus. De kunstenaars in deze Houtskool tentoonstelling hebben met het door hen gebruikte materiaal, soms honderden ontmoetingen op papier voltooid. Kleine aanrakingen, soms zelfs gewelddadige aanrakingen, of sensitieve aanrakingen, maar altijd bezield en geladen.
Veel meer dan in welke andere kunstdiscipline is in de tekening een ontwikkeling te zien. We kunnen zelfs stap voor stap ervaren en terugzien, hoe een werk tot stand is gekomen. In de tekening is het meestal niet goed mogelijk om iets wat fout is en weg moet, geheel te corrigeren. En als er iets wordt veranderd, dan dragen die correcties dikwijls weer bij tot de compleetheid en de schoonheid van het werk. In de tekening is het nogal eens alles of niets. Het is altijd ‘on the edge’. De tekening balanceert ook voortdurend op de grens van een bekentenis. Meestal is zij een bekentenis. Over het leven en de dood, over de liefde, over de geest, over deze wereld, over weemoed en verlangen. De tekening is in zijn betekenis vooral een bekentenis. We kunnen ons, ondanks de kracht, de ruwheid, de sensibiliteit, de poëzie, de intrinsieke verwarrende kwaliteit die sommige hedendaagse houtskooltekeningen inhoudelijk bezitten, ook over de onmiskenbare schoonheid van het zwart verbazen. Die schoonheid is overigens niet hetzelfde als de tekening zelf. Die schoonheid is geen feit, maar bovenal een ervaring, een beleving.

Menno Wigman ( 1966-2018 )schrijft in zijn gedicht Toen ik begon te schrijven ergens over schoonheid: Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot. En voor Montesquiou is schoonheid – of het nu gaat over de innerlijke schoonheid van de eigen ziel, of over het concept schoonheid en alle uitingen ervan in de buitenwereld – iets om je in terug te trekken. Een levenswijze, waarmee je je afzondert, de wereld op afstand houdt. Het is iets persoonlijks, wat je overigens wel met andere ingewijden kunt delen.
Schoonheid kan er uit bestaan dat soms het onbekende en het ruwe, door de esthetische vorm worden bezworen. En dat is waarom we toch soms ruig, brutaal, zelfs aanvankelijk uitgesproken schokkend en lelijk werk, weer op dat niveau van de schoonheid kunnen ervaren en waarderen.  Elk kunstwerk is naast iets dat schoonheid kan bezitten, dat emoties kan oproepen, en dat soms iets kan vertellen over de wereld of over het individuele gevoel van de maker, ook altijd een tijdelijk statement, vaak al een herinnering.

Deze Houtskool tentoonstelling is een prachtig avontuur. Geen van de hier tentoongestelde kunstenaars lijkt te werken vanuit een bepaald concept. Veel komt intuïtief tot stand, is zoekend, is sensitief, soms raadselachtig, maar uiteindelijk krachtig en oorspronkelijk. Altijd weer gedacht of beter: gevoeld vanuit het materiaal HOUTSKOOL.
Deze tentoonstelling  is geen objectieve stand van zaken van de Nederlandse tekenkunst van nu. Het is een persoonlijke keuze van Lisanne Sloots, die gebaseerd is op het materiaal houtskool en op haar persoonlijke visie en, in de keuze van de kunstenaars, op autonome beeldende kwaliteit. In haar boek verdiept zij zich op bewonderenswaardige wijze in dat materiaal houtskool, deels geschreven vanuit bestudeerde expertise, deels gekoppeld aan haar eigen beleving en jarenlange ervaring. Ik hoop dat veel mensen dit boek zullen kopen. En ook dan en hier: ontmoetingen nabij dus.

Arno Kramer
December 2019
Emmy Bergsma, Liesje vd Berk, Fleurien Dingemans, Cathelijn van Goor, Anouk Griffioen, Aal Günther, Ellen de Jong, Nanette Kraaikamp, Monica Rotgans, Lisanne Sloots, Renie Spoelstra, Manja van der Storm, Karin Rianne Westendorp